Krachtdier Ontmoeting | De ervaring van een deelnemer: Tjomme Henny

Dankbaar ben ik voor Tjomme, zijn manier van schrijven en de ervaring die gedeeld mag, kan en wil worden. Toen hij deze met mij deelde, kwam gelijk de vraag naar boven of ik deze mocht delen op mijn pagina. Dat voelde spannend en gelijk als uitnodiging om in het licht te stappen. Laat je meenemen door zijn woorden, zijn Sjamanistische Reis, zijn ontmoeting.

Goedenacht Berry,

Ik had je verteld dat ik schijf. Ik vind het ook altijd fijn om te delen, om iets terug te kunnen geven van de ervaring die iemand mij heeft gegeven. Aldus ook jij mij een ervaring gegeven hebt afgelopen woensdag. It was absolutely magical! Bijgaand mijn ervaring van jouw begeleide meditatie. Ik wil je zeggen dat je dat echt ontzettend fijn doet. Ik kan goed in visualisaties mee gaan, maar jouw ondersteuning met de drum, je zang en met de fluit was breathtaking. Het versterkte de algehele ervaring zó. Ik vond het een ware inspiratie en ben dankbaar dat ik deelgenomen heb die avond.

Ik moet wel zeggen dat de melodie die je vaak neuriet mij erg bekend voor komt. Ik hoorde je hem tijdens de mannengroep ook zingen, fluiten. Ik ben er nog niet uit waar ik hem eerder gehoord heb. Of dat perse in dit leven geweest is of niet. Ik ga het je laten weten als ik er op een dag uit ben. :))

Voor nu mijn document.

Met eer en waardigheid,

Tjomme

Ik wrik en wiebel mijn voeten zachtjes in de grond onder mijn voeten. Ik voel zachte grassprieten, ze strelen zachtjes tussen mijn tenen door, ze voelen nog een beetje klam alsof het nog pas ochtend is. Ik voel een zachte warme bries langs mijn huid gaan. Als ik mijn ogen langzaam opendoe sta ik tussen de bomen. Het bladerdak is niet heel hoog en als ik in de verte kijk zie ik niks anders dan bomen en hier en daar struikgewas. Voor mij strekt een pad van gras en wilde bloemen zich uit. Nieuwsgierig naar waar dit pad mij zal brengen zet ik mijn eerste stap. Het pad slingert licht tussen de bomen door, en langzaam vind ik wat kiezelstenen tussen het gras. Het bladerdak boven mij begint dichter en voller te raken en het licht wat er tussendoor komt neemt af. Langzaam veranderen de bomen om mij heen hoe verder ik loop. De struiken beginnen er verdord en levenloos uit te zien, het gras maakt plaats voor een mengeling van lichte en donkere kiezels en het valt me op dat het licht een oranje-rode gloed begint te krijgen. Het voelt alsof het bos om mij heen door de herfst heen gaat, maar iets in mij vertelt me dat het bos om mij heen langzaam aan het sterven is. Rood-bruine dorre bladeren beginnen om mij heen te vallen, het zachte warme briesje wordt veel warmer, nu veel heter, de bomen hebben allen een droge dorre bast. Als ik opnieuw naar het pad onder mijn voeten kijk vind ik geen kiezels meer. Ik loop over een pad van een soort zwart glas. Glazen stukken liggen gebroken onder mijn voeten, ik loop er met mijn blote voeten door heen. Ik voel ze snijden, prikken, maar het geeft geen pijn. Verwonderd, niet beangstigd, volg ik het pad tot ik op een open plek tussen de bomen uitkom. Het zwarte pad loopt voor mij uit over een lichte helling, ik kan nog niet zien wat zich daar achter bevind. Rechts van mij op enkele meters naast het pad strekt zich een meer uit dat verscholen tussen de dorre bomen ligt. Ik stap van het pad op de droge aarde en kniel aan de rand van het meer, ik kijk er overheen. De rode gloed van de hemel boven ons wordt weerspiegeld in de reflectie. Het lijkt alsof het meer deze kleur haarzelf eigen gemaakt heeft, aan de randen waar het ondiep is, is het water nog helder, meer naar het midden, diepere toe wordt de kleur onder het oppervlak een dieprood. Even kijk ik naar mijn eigen reflectie in de rode weerspiegeling. Daarna voel ik dat ik het pad weer wil volgen, ik ben benieuwd wat zich achter de helling bevind. Als ik opnieuw het zwarte pad betreed en langzaam naar de helling toe loop komt er tussen de bomen door een zwarte rotsformatie in zicht. Het pad volgt een zachte helling naar beneden toe. Onderaan de rotsformatie bevindt zich een doorgang. Aan een zijde hangen de verdroogde restanten van een struikgewas. Als ik de doorgang benader en de rotsen met mijn handen voel, valt mij op dat deze steensoort dezelfde zwarte glasachtige obsidiaan is als die van het pad. Alsof de doorgang uitgehouwen en verspreid is enkel als een pad hier naartoe.

Als ik de opening nader hoor ik een zacht gedrum tud-tum!

Ik zet enkele stappen naar binnen toe, mijn handen glijden langs de wanden en het plafond van de nauwe gang. Langzaam wennen mijn ogen aan het donker, ik voel mij veilig en vertrouwd in deze omgeving. Een stukje verder kom ik bij een bocht en hierna kom ik lichtjes tegen, kleine kaarsjes, die zowel de linker- als rechterzijde het pad verlichten. De doorgang wordt langzaam hoger en breder, de lichtjes staan verder verwijderd van elkaar. Langzaam buigt de gang zich naar boven, het leidt naar een brede opening toe. Van achter mij komt een lichte bries die mij uitnodigt naar deze opening te gaan. Het licht van daarbuiten dringt het donker hier zachtjes binnen. Dit verblindt mijn gevoelige ogen, ik knijp ze samen en probeer te zien wat erachter, wat erbuiten ligt. Als ik de opening nader hoor ik een zacht gedrum tud-tum! Het geluid klinkt zacht en ver weg, ondanks dat raakt het mijn lichaam en ziel, als mijn hartslag, mijn levenskracht die haar eigen stem krijgt, tud-tum! Ik kom uit de doorgang gelopen en begeef mij op een heel andere plek dan waar ik eerst was. De doorgang heeft mij uit het rode levenloze bos geleidt naar een oase van groen. Het is nog schemerig, de zon komt hier net op. Om mij heen waait een frisse koele bries, dikke oude bomen die hoog de hemel in reiken en een groene weelde aan planten die tussen de bomen door groeien. Deze plek geeft mij een gevoel van ware magie, de kracht van de groene jungle komt zo sterk bij mij binnen en voedt mijn hart. Deze plek voelt oud, heel oud. Ik ben in pure awe voor waar ik heb mogen aankomen. Ik vervolg mijn weg tussen de bomen door. In de verte zie ik restanten van wat lijkt op een tempelcomplex. Het heeft een witte uitstraling, er zijn geen duidelijke ornamenten of beelden te vinden op en rondom de tempel. Als ik dichterbij kom zie ik dat de natuur deze tempel herwonnen heeft. Het gedrum wordt luider, tud-dum!! Ik voel de trilling sterker door mijn lichaam gaan. Over en door de witte stenen van de tempel leeft het groen. De zachte junglevloer van bladeren voelt zacht en warm aan mijn voeten. De bladeren omringen de tempel, even later wordt er voor mij een poort zichtbaar. Als ik de tempel betreed loop ik tussen coulissen door, ik kom bij een grote oude zaal. De wanden zijn rijen van oude gewelven, sommige stukken lijken 2 of 3 niveaus hoog, langs alle kanten zijn gewelven. Er is geen dak meer en het zonlicht maakt speelse patronen op de vloer. In het midden van de zaal is een bassin met water, het oppervlak is sereen en kalm, maar ik voel dat het meer schuilhoudt dan alleen de bladeren die erop drijven. Ik neem de ruimte in mij op, met uitgestrekte armen maak ik een sierlijke draai door enkele stralen zonlicht voor mij. Tud-tum!! Vanuit mijn ooghoeken zie ik twee oren achter de gewelven door schieten. Het geluid wordt sterker en sterker naarmate ik mij verder in de open ruimte beweeg. Deze zaal voelt zo krachtig, zo vol leven. Het pulseert van het leven. Tud-tum tud-tum!! Ik zie achter in de zaal iets wat lijkt op de oude verweerde resten van een witte stenen zetel. En iets trekt me, nodigt mij uit om hier naartoe te lopen en plaats te nemen. Bij elke stap die ik dichterbij zet, neemt het pulseren toe, tud-tum tud-tum!! Ik hoor geritsel door de bladeren heen, alsof er gerend wordt, poten die ze doen ritselen en opvliegen. 

Mijn blik stop bij één dier. Ik word gevangen door twee gele ogen.

Ik klim op de witte stenen en neem plaats. Het geluid wordt nóg intenser, aanhoudend klinkt het tud-tum tud-tum tud-tum!! En dan met een overweldigende beweging barst de tempel uit in leven! Uit de gewelven links en rechts komen allemaal verschillende wilde dieren, de olifant, leeuw, zebra, beer, luipaard. In de lucht komen er vogels aangevlogen, zo veel soorten dat er even geen zonlicht doorheen komt, hierna een pracht aan kleuren van alle vogels, de flamingo, roodborst, bonte specht, mus, adelaar, paradijsvogel, condor. De oppervlakte van het zo net serene water barst uit van het leven. Ik zie de snoek, barracuda, kwal, dolfijn, zeehond, krokodil en octopus. Uit de hoeken, onder de stenen, tussen de wortels van de bomen komen de das, bever, veldmuis, egel, haas, konijn. Nog meer dieren dienen zich aan, hert, poema, vos, vleermuis. Zo vol, zo veel! De tempelzaal stroomt zo vol met verschillende dieren. Intens, overweldigend en zó krachtig. Allen richten ze zich tot mij, komen ze naar mij toe. Met een luide klap stopt de drum, TUD-TUM!!! Tegelijkertijd staan alle dieren stil. Ze staan en zitten om mij heen, ze kijken mij allen aan. Op mijn beurt voel ik dat zij allemaal gekomen zijn voor mij. Om zich te laten zien, om mij iets te vertellen. Ik laat mijn ogen over de dieren gaan. Ik voel mij zeker, ik voel mij krachtig, zonder angst of twijfel kijk ik alle dieren stuk voor stuk aan. Dankbaar voor hun komst, met eer en waardigheid. Mijn blik stop bij één dier. Ik word gevangen door twee gele ogen. Rust vult mijn lichaam. Ik voel een diepe verbondenheid en onze ogen houden elkaar vast. Er komt een moment waarbij zij die zich tonen zou aan mij zich zou onthullen, door dat alle andere dieren een stap naar achteren doen. Maar ik heb haar al gevonden. Wanneer alle dieren dan ook daadwerkelijk die stap naar achteren nemen voel ik mij ontroerd, jij blijft zitten. Dankbaar ben ik dat ik jou zo helder mag ontmoeten. Jij, grijze wolvin.

Alle dieren nemen stil afscheid, ze vertrekken langzaam uit de tempelzaal. Ik kijk haar nog steeds aan. Ik voel dat spreken niet meer nodig is in hoe wij met elkaar communiceren. Haar blik is gevuld met een vorstelijkheid, zij is het alpha-vrouwtje, stamoudste, mother of the pack. Het eerste wat ze deelt met mij is “Blijf trouw aan jezelf. Altijd.” Tranen vullen mijn ogen. Ik voel de liefde in haar woorden. De wijsheid en de waarheid. Ik zit nog altijd vanaf de stenen naar haar te kijken. In haar gele ogen neemt ze mij mee. Ik hoor een indianen gezang en ineens zijn we in haar leven. En even rent ze alleen door de wildernis, dan zie ik hoe we samen rennen, rennen aan de voet van ruige bergen, door een steenachtige omgeving, langs een wilde rivier, tussen grote naaldbomen door. Ik krijg beelden van haar jacht. Hoe we met onze tanden stukken vlees van een nog warm hert losscheuren. Hoe heerlijk hert smaakt, hoe goed ze ruikt. Ik voel al haar beweging, al haar kracht. Ik word vervuld met haar dierlijke energie. Levendig en vol vuur! Het lijkt allemaal zo snel te gaan, toch beleef ik intens wat ze met mij deelt. 

Ik ervaar zo sterk dat ik vanaf nu nooit echt alleen meer ben.

Ik besef mij dat ze mij laat zien dat ze alleen neemt wat ze nodig heeft. Ze laat mij zien hoe ze in harmonie met de wereld om haar heen leeft. Ze laat mij de simpelheid zien van wat er écht nodig is. Ik zit weer op de witte stenen. Langzaam zak ik af en ga ik voor haar staan. Ik voel dat er meer is dat ze mij wil laten zien. Uit de gewelven, uit de coulissen vandaan komen nog meer grijze wolven, dit zijn haar wolven. Er komen wel veertig, vijftig wolven naar ons toe gesneld. Ze rennen niet met een doel, ze gaan kriskras door elkaar, heel dierlijk, heel natuurlijk. Het heeft iets heel speels en met dat gevoel rennen ze langs ons heen, tegen ons aan, ik voel mij omvergerend worden en ik beland tussen de wolven. Hun zachte grijze pels schampt langs mij als ze door elkaar rennen, ik rol en speel met ze mee en zo strijken we neer als één grote roedel, op en over elkaar, tegen elkaar aan, warm, een hechte familie. Ik voel mij thuis. Ik ervaar zo sterk dat ik vanaf nu nooit echt alleen meer ben. Maar ook dat ik eigenlijk nooit echt alleen ben geweest. Ik heb het alleen niet eerder zo helder kunnen zien.

Langzaam kom ik overeind en de roedel breekt uit elkaar en laat ons weer alleen. Ik ga nu voor haar staan. Ze zet een stap voorwaarts, naar mij toe. Ik blijf staan en houd haar blik. Ze zet nog een stap voorwaarts en staat pal voor mij. Het voelt goed, ik voel zo’n sterk vertrouwen tussen ons. Ik zet een stap achterwaarts en zij loopt met mij mee. Ik zet een laatste stap voorwaarts en ga vervolgens zitten voor haar. Onze neuzen zijn nu gelijk aan elkaar. Haar gele ogen zijn prachtig, zo hier, nemen alles in zich op. En ik doe hetzelfde. Dan komt ze nog dichterbij en buigt haar hoofd wat naar beneden. Ik plaats mijn voorhoofd tegen het hare. Besef van tijd gaat verloren. In dit moment zijn wij verbonden. Ze neemt even later wat meer ruimte en gaat ook zitten voor mij. Dan vertelt ze mij dat zij er voor mij zal zijn wanneer ik haar vraag. Ze zal komen en mij helpen op welke manier ze dat kan, met wat ik dan zit. Op haar manier zal ze ook mij vragen tot haar te komen wanneer zij mij dingen wil vertellen. Ze vertelt mij dat dit alleen kan zolang ik trouw blijf aan ons verbond. Zolang ik trouw blijf aan mijzelf. Altijd. Ik voel deze woorden diep in mij verankerd worden. Diep in mijn hart vastgelegd worden. Daar waar ik haar vinden kan.

Ik ken de weg naar mijn hart. Naar haar.

Het voelt als tijd om weer terug te keren. Ik neem haar nog een keer diep in mij op. Dan loopt ze naar de berg witte stenen en neemt daar plaats. Terwijl ik door de coulissen heen loop terug de groene jungle in, hoor ik een 2 tonige fluit spelen. Het wijsje biedt een passend afscheid. Op mijn tocht terug naar de grot zie ik hier en daar nog wat wolven door de begroeiing heen rennen. Het voelt vertrouwt ze zo te zien. Ik neem nog een laatste blik van deze groene magische plek en loop de doorgang opnieuw in. Ik zie de lichtjes langs de zijkanten staan en vervolg mijn weg naar beneden. Mijn handen kunnen op een gegeven moment het plafond weer raken, en leiden mij zo door de bocht heen naar de andere zijde. Aan de andere zijde stap ik uit de opening van zwarte obsidiaan. Ik loop weer op het zwarte pad, de lucht is hier nog steeds rood. Een hete wind blaast de nog altijd vallende bladeren mee. Ik loop de helling terug omhoog en loop naar het water toe. Ik kniel opnieuw aan de rand van het rode meer en kijk naar mijn eigen reflectie. Ditmaal zie ik een tweede reflectie. In het water links van mij zie ik twee gele ogen en het nu zo vertrouwde gezicht van haar grijze wolvenkop. Met een glimlach en een hand op mijn hart sta ik op en neem ik het zwarte glazen pad. Ik laat dit pad mij tussen de bomen door leiden. Waar het mij heen gaat brengen weet ik niet. Het hindert mij niet. Ik ken nu de weg naar deze groene oase in dit dorre, stervende bos. Ik ken de weg naar mijn hart. Naar haar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Uit, Groei en Deel...